Anna van Soest 1905

Tante Anna was zuster in een klooster. Op 24 oktober 1932 trad ze in bij de zusters Ursulinen te Vught. Ze heeft bij haar intrede toen haar zuster naam Maria Rosalia gekregen.
De achtergrond van het aannemen van een kloosternaam is dat daarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat de betrokken persoon vanaf het moment van intreden een nieuwe identiteit krijgt en aan een nieuw, aan God gewijd leven begint. Als regel wordt de naam van een heilige gekozen met wie de nieuweling zich verwant voelt en wiens leve en werk een bron van hem of haar kan zijn.

Na het eerste half jaar werd ze op 26 april 1933 “gekleed”. Normaliter zou ze dan op 26-4-1935

“geprofest” worden. Doch vanuit het moederhuis van de zusters Ursulinen in Rome werd geen toestemming verkregen vanwege haar lichamelijke handicap aan haar heup.

Het is nooit letterlijk uitgesproken, maar waarschijnlijk was men bang dat in de toekomst het klooster hierdoor met hoge kosten geconfronteerd zou worden door deze handicap.
Zwaar teleurgesteld is ze toen enkele weken voor de “”profest”-datum noodgedwongen naar huis gegaan. Anna was zeer handig op het gebied van handwerken. Voor tante Mien heeft ze nog de trouwjurk gemaakt.
Op 16 juli 1936 is ze vervolgens opnieuw ingetreden in een klooster. Nu bij de zusters van de congregatie J.M.J. ( Jezus Maria Jozef ) met de namen: “Anna Ulania Gerarda Cecilia van Soest”. De “inkleding” was hier op 28-1-1937 en ze ontvang hierbij de naam “zuster Marie Rosaline”. De tijdelijke gelofte werd door haar op 29-1-1938 afgelegd. De datum van haar “professie” was 29-1-1941.

Tante Anna was dus kloosterling of zoals ze zich vaak zelf ook noemen een religieuze. Vrouwelijke kloosterlingen worden meestal zuster of non genoemd.

Je wordt kloosterling door toe te treden tot een kloostergemeenschap: een orde of een congregatie.
De klassieke weg om kloosterling te worden is een lang proces. Allereerst vindt er een periode van kennismaking plaats: je wordt “postulant”( letterlijk: iemand die rondwandelt). Het gaat om een proefperiode. Daarna volgt een tijd van opleiding: het“noviciaat”. Deze periode begint met het ritueel 

van de inkleding, waarbij de nieuwe kloosterling het habijt of een ander kenmerk krijgt aangereikt In vrouwelijke kloostergemeenschappen werd het ritueel lange tijd explicite beleefd als een alternatief voor het huwelijk, de novice begon de plechtigheid in een bruidsjapon, als “bruid van Christus”. In vroeger tijden werd op dit moment tevens de kloosternaam gekozen.

Een novice wordt gevormd in de traditie en spiritualiteit van de gemeenschap. Bij actieve religieuzen is er ook sprake van een beroepsopleiding, zodat de novice later kan bijdragen aan de externe activiteiten van de gemeenschap. Het noviciaat duurt één of twee jaar.

Na de opleidingstijd volgt de tijdelijke professie. De novice
verbindt zich voor een bepaalde tijd (vaak drie jaar) aan de orde of congregatie en legt geloften af van armoede, gehoorzaamheid en celibaat. Pas als deze periode is verstreken, breekt het moment aan voor de eeuwige professie waarbij geloftes voor het leven worden gedaan.
De kloosterling verbindt zich aan de kloostergemeenschap en omgekeerd accepteert de gemeenschap de verantwoordelijkheid en de zorg voor dit lid.
De afspraken en procedures die nodig zijn om het doel van de gemeenschap te realiseren, zijn vastgelegd in regels en gebruikenboeken. (constituties).

In een klooster gebeurt veel ook op vastgestelde tijden. Een dagorde regelt de tijden van opstaan, eten, werken en bidden.

Voor de tijdelijke professie maakt ieder “novice” een volgens burgerlijk rechtsgeldig testament bij een notaris. Brengt een zuster goederen/kapitaal in, dan dient dat deskundig beheerd te worden. Indien ze bij testament het beheer overdraagt aan het religieuze instituut waarvan ze lid wordt, dan mogen haar  goederen/kapitaal niet vervreemd worden tijdens haar leven. De zusters J.M.J. kennen dus geen verplichte bruidsschat. Als de zuster het religieuze instituut verlaat dient alles aan haar te worden teruggegeven.

In juli 1951 haalde tante Anna nog haar handwerkdiploma “akte K “. Hiermee was ze bevoegd om handwerkles te geven.
Waar ze precies heeft les gegeven is helaas niet helemaal duidelijk. In ieder geval heeft ze in Berlicum en Loil/ Didam lesgegeven.

In november 2001 heb ik nog contact gehad met Zr. Louise van Laarhoven over tante Anna. Toen waren er nog enkele zusters die tante Anna gekend hadden. Zij spraken allemaal over haar ijver voor de missie naaikring en voor de jaarlijkse fancy fair voor (Nederasseltse) missionarissen.

Het laatste klooster waar ze woonde is het klooster van Nederasselt. Voor de parochiekerk van Nederasselt heeft ze nog meegeholpen om een kerstgroep te maken.

Op 8 december 1975 is tante Anna in het St. Radboud ziekenhuis te Nijmegen overleden. Op 12-12-1975 werd ze begraven op het kerkhof bij het klooster te Nederasselt.

In verband met de sluiting van het klooster, werden deze graven echter geruimd.

De opgegraven stoffelijke resten werden toen gecremeerd, waarna de as werd bijgezet in het verzamelgraf van de 

zusters J.M.J. op het kerkhof van Heeswijk- Dinther.

Foto’s